Degene die hoopt... en Esperanto *
(InFormanT 1992 nr. 2 en 3)

Simon van Dreumel


“Nun mi skribas en Esperanto, la sendependa logika lingvo por internacia amikeco kaj por internacia interŝanĝo je ĉia tereno.” [= ‘Nu schrijf ik in Esperanto, de onafhankelijke logische taal voor internationale vriendschap en voor internationale uitwisseling op elk gebied.’]

Denk nu niet, dat ik een van de exotische talen ga behandelen. Dit keer heb ik het over een wereldhulptaal: Esperanto. Deze taal wordt in woordenboeken ook wel eens als ‘KUNSTwereldtaal’ omschreven. Ook al is de taal eens door iemand bedacht en ontworpen, d.w.z. ‘kunstmatig’ gecreëerd, dit wil zeker niet zeggen dat de taal niet ‘leeft’. Het is geen ‘dode taal’, zoals bijvoorbeeld het (klassieke) Latijn. Veel talen zijn eens "in elkaar gezet". Daarom zegt "kunstmatigheid" dus nog niets over het functioneren van een taal. Het gaat erom of de taal levend is, zich dus kan ontwikkelen en daarmee in staat is alles uit te drukken wat je denkt. Dat kan in Esperanto.

Eigenlijk zou je als wereldtaal een neutrale taal moeten kiezen, zonder nationale achtergrond. Een taal die iedereen erbij kan leren, zonder dat degene bevoordeeld/benadeeld wordt omdat de persoon die taal al/niet als moedertaal spreekt. Esperanto is zo'n internationale taal. Esperanto is gemakkelijk te leren vanwege de eenvoud en logische opbouw. De taal is gemaakt om het wederzijds begrip tussen volkeren te bevorderen.

Iedereen zou dan wel het Esperanto als tweede taal moeten beheersen. De verbreiding van het Esperanto berust tot dusverre vrijwel geheel op persoonlijk initiatief om de taal te leren. Wettelijke voorzieningen om algemene verbreiding voor internationaal gebruik mogelijk te maken, ontbreken in de meeste landen. Met Esperanto kun je echter overal in de wereld terecht; Esperantisten vind je overal.

Het leek me wel aardig om wat meer over Esperanto te vertellen. Ik zal hier vooral de opbouw van de taal globaal beschrijven.

Esperanto komt niet zomaar uit de lucht vallen. Deze taal kent ook een ontstaansgeschiedenis.

Achtergrond

Dr. L.L. Zamenhof (1859-1917)

De opkomst van Esperanto is onverbrekelijk verbonden met de levensloop van de man, voor wie het een belangrijk levensdoel vormde, namelijk Lazaro Ludoviko Zamenhof, geboren op 15 december 1859 in de oude Poolse stad Bjalistok. Vooral zijn jeugdjaren in Bjalistok zijn van grote invloed geweest op de ontwikkeling van de doelstellingen, die Zamenhof later voor ogen stond. In Bjalistok bestond de bevolking uit vier verschillende groepen: Russen, Polen, Duitsers en Joden. Elk van deze groep sprak een eigen taal, wat een grote barrière vormde voor het goed begrijpen van elkaars standpunten en daardoor de ontwikkeling van een evenwichtige maatschappij in de weg stond. In het dagelijks leven was overal het wanbegrip en de geïsoleerde opstelling van elk van deze groepen merkbaar. Als kind merkte Zamenhof dit al scherp en ontstond bij hem de wens dit probleem op te lossen. Uiteraard kwam in die periode nog niet de vraag bij hem naar voren, hoe dit nu precies te verwezenlijken zou zijn. De aanzet daartoe kwam op het gymnasium bij het bestuderen van Grieks en Latijn. In eerste instantie was Zamenhof voor een opleving van een van beide talen, maar spoedig verwierp hij dit standpunt en begon hij voor het eerst aan een nieuwe, kunstmatige taal te denken. Vooral het gebruik van voor- en achtervoegsels in het Pools en de eenvoudige grammatica van de Engelse grammatica hebben hem daarbij geïnspireerd. Dat de als "Lingvo Internacia" in 1887 voor het eerst gepubliceerde taal al gauw ‘Esperanto’ werd genoemd, is te begrijpen, als je weet dat Zamenhof het pseudoniem "Doktoro Esperanto" gebruikte. ‘Esperanto’ betekent: degene die hoopt.

Esperanto als taal

Ik zal de taal Esperanto bespreken aan de hand van de volgende onderdelen:

In elk van deze drie onderdelen laat het Esperanto een enorme simplificatie zien in vergelijking met nationale talen.

Spelling en uitspraak

Het Esperanto kent een fonetische spelling en uitspraak. Elk woord wordt net zo uitgesproken als het wordt gespeld. Elke letter heeft dus maar één klank en een bepaalde klank wordt weergegeven door een en dezelfde letter.

Het Esperanto kent 28 letters. De letters Q, W, X en Y komen niet voor. Daarentegen heeft het Esperanto enige "dakjesletters", letters met dakjes erboven, zoals: ĉ, ĝ, ĥ, ĵ en ŝ. Verder kan er op de letter u nog een boogje komen: ŭ.

Het is wel handig als ik de letters met de bijbehorende uitspraak opsom. Dan weet je tenminste hoe je woorden in het Esperanto moet uitspreken.

LETTERUITSPRAAKals in:BIJZONDERHEDEN
a à/aa mat/opa resp. gesloten en open lettergreep
b b bar altijd stemhebbend, ook op het eind v.e. woord
c ts muts vgl. caesar–tsaar; ‘gracia’; It. ‘z’ (stemloos)
ĉ tsj tsjilpen Sp.‘ch’; Eng.‘ch’ (Churchill); It.‘c’ voor e of i
d d dek altijd stemhebbend, ook op het eind v.e. woord
e è met altijd kort, ook in open lettergreep
f f film  
g zachte k goal Dui./Eng. ‘G’; Fr./Sp./It. ‘G’ niet voor e of i
ĝ dzj gentleman Eng./It. ‘g’ voor e of i
h h help  
ĥ ch lachen vanwege de uitspraak: ĥ => k (spellingwijziging)
i ie liter altijd lang, ook in gesloten lettergreep
j j jaar  
ĵ zj journaal Fr. ‘j’
k k kaak  
l l lel  
m m mam  
n n non  
o ò pot altijd kort, ook in open lettergreep (Esperanto)
p p pap  
r r raar  
s s suiker altijd stemloos
ŝ sj sjaal Eng.‘sh’; Fr.‘ch’; Dui.‘sch’; It.‘sc’ voor e of i
t t taal  
u oe voet Dui./Sp./It./Lat. ‘u’
ŭ w wat "ronde" w; meestal in verbinding met ‘a’ of ‘e’:
au auto  
ew    
v 'w' water geen "ronde" w
z z zaag altijd stemhebbend

Er zijn dus slechts vijf klinkers: a, e, i, o, u.
Ze corresponderen met dezelfde symbolen in het Internationaal Fonetisch Alfabet (IPA).

Laten we eens enkele woorden in het Esperanto bekijken:

 WOORDUITSPRAAKBETEKENIS
 vorto wòrtò woord
 cendo tsen-dò cent
 scienco s-tsi-èn-tsò wetenschap
 ĉio tsji-ò alles
 ĝardeno dzjà-dè-nò tuin
 programo pròGramò programma
 intereso ientèrèsò interesse

Je ziet aan de laatste twee woorden ‘programo’ en ‘intereso’, dat medeklinkerverdubbeling als spellingregel niet voorkomt. Dit wil niet zeggen dat er in het Esperanto nooit twee dezelfde medeklinkers in een woord naast elkaar kunnen staan. Door bijvoorbeeld vóór een woord een voorvoegsel te plaatsen, waarbij de laatste letter van het voorvoegsel gelijk is aan de eerste letter van het erop volgende woorddeel, krijg je al dubbele medeklinkers in een woord: ‘mallonga’ [‘mal’ is een voorvoegsel dat zorgt voor de tegenovergestelde betekenis van het grondwoord, ‘long’ betekent lang; ‘mallonga’ is dus kort].

Klemtoon

Wanneer een woord uit meer dan een lettergreep bestaat, valt de klemtoon op de voorlaatste lettergreep. ‘Esperanto’ spreek je dus zo uit: ès-pè-RAN-tò.

Woordenschat

Het woordmateriaal is vrijwel geheel ontleend aan de nationale talen. Ongeveer 60% stamt uit de Romaanse, 30% uit de Germaanse en 10% uit de Slavische talen. De woorden zijn zó gekozen dat als je al een of meer vreemde talen kent (bijv. Engels, Frans), veel Esperanto-woorden je bekend zullen voorkomen. Internationale woorden maken deel uit van het Esperanto, op voorwaarde dat hun spelling volgens de regels van het Esperanto is.
Zo zijn internationale woorden die een q, w, x of y bevatten, in hun spelling gewijzigd als ze opgenomen zijn in het Esperanto: QU => KV;  W => V;  X => KS;  Y (als klinker) => I;  Y (als medeklinker) => J.

Uitgangen

Bepaalde woordsoorten hebben een specifieke uitgang. Alle woorden die in het Esperanto eindigen op -a, zijn bijvoeglijke naamwoorden. De woorden die eindigen op -o, zijn zelfstandige naamwoorden. Het Esperanto is strikt regelmatig, dus alle zelfstandige naamwoorden gaan uit op -o en alle bijvoeglijke naamwoorden op -a. Door in plaats van de a-uitgang van een bijvoeglijk naamwoord een e-uitgang te kiezen, krijg je een bijwoord. De woorden die eindigen op -e, zijn dus van het bijvoeglijk naamwoord afgeleide bijwoorden.

Woordvorming

Door de uitgang van een woord te veranderen kunnen we van één stam verschillende woorden maken:

feliĉa = gelukkig (bijvoeglijk naamwoord)
feliĉo = geluk (zelfstandig naamwoord)
feliĉe = gelukkig (bijwoord)

Samengestelde woorden worden gevormd door samenvoeging van twee aparte woorden, waarbij het belangrijkste woord achteraan staat.

Met voor- en achtervoegsels kunnen uitgaande van één stam vele nieuwe woorden worden gemaakt.

Voor- en Achtervoegsels (affixen)

Esperanto kent veel achtervoegsels en voorvoegsels met een vaste en scherp omschreven betekenis. Dit heeft als voordeel dat je minder woorden hoeft te leren dan bij andere vreemde talen. In het Esperanto kunnen voor en/of achter een stamwoord voor- en/of achtervoegsels worden gezet waardoor allerlei afgeleide woorden ontstaan die niet apart geleerd hoeven te worden. Dit bespaart een hoop stampwerk. Ik zal eens voorbeelden geven hoe je met voor- en achtervoegsels nieuwe woorden kunt maken.


amik- is de stam.
amiko: vriend
amikINo: vriendin
Het achtervoegsel ‘in’ duidt op het vrouwelijk geslacht.
Dit wordt in het Esperanto consequent doorgevoerd:
patro=vader; patrINo=moeder; knabo=jongen; knabINo=meisje.
amikECo: vriendschap.
Het achtervoegsel ‘ec’ duidt op een eigenschap.
bela=mooi; belECo=schoonheid; bona=goed; bonECo=goedheid.
MALamiko: vijand.
Zoals we al zagen bij ‘MALlonga’(= kort) duidt het voorvoegsel
‘mal’ het tegenoverstelde aan.
granda=groot; MALgranda=klein; MALbona=slecht; MALbela=lelijk.
varma=warm; MALvarma=koud.
MALamikECo: vijandschap.

Het achtervoegsel ‘il’ duidt op een middel, instrument. tranĉi= snijden; tranĉILo= mes.

Het achtervoegsel ‘ar’ duidt op verzameling als eenheid. arbo=boom; arbARo=bos; homo=mens; homARo=mensheid.

Het achtervoegsel ‘et’ duidt op verkleining. varmETa=lauw; arbETo=boompje; dormi=slapen; dormETi=sluimeren; vento=wind; ventETo=briesje. ŝtupo=trede; ŝtup-ET-AR-o=ladder.

Het achtervoegsel ‘eg’ duidt op vergroting. ventEGo=storm; varmEGa=heet; tre=erg/zeer; treEGe=heel erg, enorm.

Het voorvoegsel ‘ge’ neemt beide geslachten samen. GEpatroJ= ouders.

Het achtervoegsel ‘ej’ duidt op een plaats. lerni=leren; lernEJo=school.

En zo kan ik nog wel even doorgaan. Er zijn zo'n 40 affixen, dus je kunt wel nagaan hoeveel dat oplevert.

In het Esperanto kunnen voor- en achtervoegsels ook zelfstandig gebruikt worden: EJo=plaats; ARo=groep; MALo=tegengestelde; MALe=integendeel; INo=vrouw; ILo=werktuig; IL-AR-o=gereedschap.

Lexicale ambiguïteit wordt zo veel mogelijk vermeden. Homoniemen zijn om die reden schaars. Terwijl in het Nederlands bijvoorbeeld ‘bank’ dubbelzinnig is, nl. een zitbank of een geldbank (‘bank’ is dus in het Nederlands een homoniem), heeft het Esperanto twee in klank (en dus in schrift) verschillende woorden, nl. benko (= ‘zitbank’) en banko (= ‘geldbank’).


We hebben gezien dat Esperanto fonetisch is: de letters van het alfabet worden steeds maar op één manier uitgesproken. Dat Esperanto fonetisch is, betekent niet dat er zich in de uitspraak van de klinkers (a, e, i, o, u) geen variaties zouden voordoen. De uitspraak van een klinker in een woord hangt ook af van de omringende klanken. Daarnaast treden er fonologische verschijnselen op. Tussen de /i/ en /a/, zoals in ‘ia’, wordt bijvoorbeeld een /j/ als verbindingsklank ingevoegd. Je moet hier geen ‘i-a’-gebalk ten gehore brengen. Er komt een /w/ in de uitspraak tussen de /u/ en /o/ zoals in ‘ŝuo’ (=schoen). Vooral als je vlot praat of snel spreekt, zal er assimilatie en/of coarticulatie optreden in spraak. Maar ik begin weer uit te weiden (... “hij kan het niet laten”). Spelling en uitspraak is de vorige keer voldoende aan bod gekomen. Over Woordvorming valt ook wel meer te vertellen. Ik hoef alleen maar te denken aan de resterende voor- en achtervoegsels (tezamen: ‘affixen’). Maar we weten nu dat we van één stam allerlei nieuwe woorden kunnen maken door gebruik te maken van affixen. En Esperanto-(stam)woorden kun je vinden in een vortaro (=woordenboek). Dus ik beschouw Woordenschat als “behandeld”.

Ik ben nu weer waar ik wilde zijn, namelijk bij de grammatica van Esperanto. Hopelijk is aan de hand van de voorbeelden te ontdekken hoe wonderlijk eenvoudig en logisch Esperanto in elkaar steekt.

GRAMATIKO

Ook wat betreft de grammatica laat het Esperanto een simplificatie zien in vergelijking met nationale talen. De grammatica is gemaakt naar het voorbeeld van nationale talen, maar alle onregelmatigheden en overbodige dingen zijn weggelaten. Dit zal snel genoeg blijken bij de behandeling van de grammatica (onderdeel voor onderdeel).

LIDWOORD(EN)

Het bepaald lidwoord, in het Nederlands ‘de’/‘het’, is in het Esperanto steeds la. De zelfst. naamwoorden hebben in Esperanto geen woordgeslacht. Je komt dus niet voor problemen te staan zoals: moet ik nu ‘le’ of ‘la’ (Fr.), ‘el’ of ‘la’ (Sp.), ‘il’ of ‘la’ (It.) gebruiken? N.B. ‘la’ komt in alledrie de talen (Fr,Sp,It) voor. In andere talen dan het Esperanto gebruik je in het meervoud mogelijk weer andere vormen voor het bepalend lidwoord. In het Esperanto krijg je ook la als bepalend lidwoord bij het meervoud. Het bepaald lidwoord krijgt geen naamval; het blijft altijd la. Dat is wat anders dan het bepaald lidwoord in het Duits: (M) der,des,dem,den, (F) die,der,der,die, (N) das,des,dem,das. Niet dat dit nu echt allemaal zo moeilijk is, hoor; alleen: Waarom moeilijk doen als het met la kan? (Is dit soms la-reclame?). Het onbepaald lidwoord, in het Nederlands ‘een’, bestaat in het Esperanto niet. ‘Een’ (als onbepaald lidwoord) wordt dus niet vertaald.

ZELFSTANDIGE NAAMWOORDEN

Veel Esperanto-woorden die ik als voorbeeld heb gegeven, eindigen op een ‘-o’. Dit is niet verwonderlijk, omdat zelfstandige naamwoorden – en die geeft je nu eenmaal sneller als voorbeeld – op een -o eindigen. Zelfs het woord voor de taal zelf eindigt op een -o: Esperanto (ik kort het meestal af met: Esp-o).

BIJVOEGLIJKE NAAMWOORDEN

We weten al dat bijvoeglijke naamwoorden altijd als uitgang een ‘-a’ hebben: (mal)bona, (mal)bela, (mal)granda, (mal)varma, (mal)varmega, (kaj la Esperanta simbol-koloro:) verda (=groen).

La vino estas ruĝa = De wijn is rood.

AFGELEIDE BIJWOORDEN

En het afgeleide bijwoord eindigt altijd op een ‘-e’: bone (=‘goed’; Eng.=‘well’; Fra./Sp.=‘bien’; Lat./It.=‘bene’ als in N.B.). Vergelijk de -e met: ‘-ly’ (Eng.), ‘-ment’ (Fr.), ‘-mente’ (Sp./It.).

La ĉarma avino bonE loĝas = De charmante oma woont goed.

MEERVOUD

Het meervoud wordt aangegeven met ‘-j’. Deze meervoudsuitgang komt achter zelfst. naamwoorden en bijbehorende bijvoeglijke naamwoorden. In het Esp-o bestaan geen onregelmatige meervoudsvormen.

la viroj = de mannen (viro =man)
la maljunaj viroj = de oude mannen
la pomoj estas ruĝaj = de appels zijn rood.

TRAPPEN VAN VERGELIJKING

De trappen van vergelijking worden gevormd met behulp van PLI (= meer) en PLEJ (= meest) met daarachter het bijvoeglijk naamwoord.

bela = mooi bona = goed
PLI bela = mooier PLI bona = beter
PLEJ bela = mooist PLEJ bona = best

Voorbeelden:

ili estas PLI fortaj (ol ni) = zij zijn sterker (dan wij)
ili estas MALPLI fortaj (ol ni) = zij zijn minder sterk (dan wij)
li estas la PLEJ forta (el ...) = hij is het sterkst (van ...)
li estas la MALPLEJ forta (el ...) = hij is het minst sterk (van ...)
ŝi kantas PLEJ bele = zij zingt het mooist

PERSOONLIJKE VOORNAAMWOORDEN

mi=ik; vi=jij/u;jullie; ŝi=zij (vrl.persoon); li=hij (mnl.persoon); ĝi=het/hij/zij (ding;dier); ni=wij; ili=zij (meerv.); oni=men; si=zich. Je ziet dat alle persoonlijke voornaamwoorden eindigen op -i.

BEZITTELIJKE VOORNAAMWOORDEN

Een bezittelijk voornaamwoord wordt gevormd door achter het betreffende persoonlijk voornaamwoord een ‘-a’ te voegen. mia=mijn; via=jouw/uw;jullie; ŝia=haar; lia=zijn; ĝia=zijn/haar; nia=ons,onze; ilia=hun; sia= zijn eigen/ haar eigen/ hun eigen.

WERKWOORDEN

Een werkwoord bestaat in het Esp-o uit een stam en een uitgang. Eerst de aantonende wijs:

TIJD UITGANG VOORBEELD EZELSBRUGGETJE
tegenwoordige tijd -as mi venas = ik kom a in vandaag
verleden tijd -is mi venis = ik kwam i in gisteren
toekomende tijd -os mi venos = ik zal komen o in morgen

De persoonsvormen hebben in alle personen dezelfde uitgang.

mi, vi, li, ŝi, ĝi, ni, ili, oni estas = ... ben/bent/is/zijn

Onregelmatige werkwoorden zul je in het Esp-o niet tegenkomen. Alle werkwoorden hebben immers een stam met daarachter een uitgang. Het werkwoord bevat geen informatie over persoon en getal; deze informatie is al te halen uit het onderwerp van de zin. Nu resten nog drie ‘wijzen’ (= modoj)...

WIJS UITGANG VOORBEELD
voorwaardelijke wijs -us mi venus = ik zou komen [CONDITIONEEL]
gebiedende wijs -u venu = kom! [IMPERATIEF]
onbepaalde wijs -i veni = komen [INFINITIEF]

DEELWOORDEN en SAMENGESTELDE TIJDEN

In het Esp-o wordt de ‘samengestelde tijd’ gemaakt met behulp van het hulpwerkwoord esti en een deelwoord (= stam+deelwoorduitgang). Om de betekenis van een samengestelde tijd te begrijpen, ga je eerst naar de tijd van het hulpwerkwoord esti kijken. Je weet dan of de zaak in het heden (-as), het verleden (-is) of de toekomst (-os) is gesitueerd. Vervolgens ga je naar de deelwoord-uitgang kijken.

DEELWOORD ACTIEF PASSIEF Vergelijk
tegenwoordig -ant -at -a-: tegenwoordig
voltooid -int -it -i-: verleden
toekomend -ont -ot -o-: toekomend

Voorbeelden:

VRIJE WOORDVOLGORDE

De woordvolgorde in het Esp-o is in principe vrij. Hiervoor is gekozen omdat de woordvolgorde van taal tot taal kan verschillen.

La vino estas ruĝa = Ruĝa estas la vino = Estas ruĝa la vino

(Meestal wordt echter de volgorde Onderwerp–Gezegde–Bepalingen gebruikt. En wat vooropgeplaatst is, krijgt meer de nadruk.)

LIJDEND VOORWERP

Het probleem bij vrije woordvolgorde is dat je niet meer weet wat het onderwerp en wat het lijdend voorwerp is; de volgorde is immers niet bepalend. Om dit op te lossen, is het gebruik van de -n als uitgang voor het lijdend voorwerp ingevoerd. De n-uitgang sluit verwarring met het onderwerp uit. De vierde-naamvals-n komt achter naamwoorden. Een voorbeeld:

Opa leest een boek =
la avo legas libron = libron la avo legas = legas libron la avo.

Ook de bijbehorende bijvoeglijke naamwoorden krijgen een -n.

li vendis sian belan domon = hij verkocht zijn (eigen) mooie huis.
mia frato vidis lian novan domon = mijn broer zag zijn nieuwe huis.
mia fratino vendis pomojn ruĝajn = mijn zus verkocht rode appels.

N.B. ‘lian’ verwijst niet naar ‘mia frato’, dan zou er ‘sian’ moeten staan.

Het bijvoeglijk naamwoord kan ook achter het zelfstandig naamwoord komen: er geldt een vrije volgorde!

Ook persoonlijke voornaamwoorden krijgen een -n als ze lijdend voorwerp zijn in een zin.

li vidas ŝin; ŝin vidas li = hij ziet haar.
ŝi vidas lin; lin vidas ŝi = zij ziet hem.
nia onklino rapide lavas sin = onze tante wast zich snel.
nia onklino rapide lavas ŝin = onze tante wast haar snel.

TELWOORDEN

Hoofdtelwoorden

De grondtelwoorden: 1=unu; 2=du; 3=tri; 4=kvar; 5=kvin; 6=ses; 7=sep; 8=ok; 9=naŭ; 10=dek; 100=cent; 1000=mil.

De andere getallen tot miljoen kun je maken door de termen achter elkaar te schrijven. Je splitst een getal in eenheden, tientallen, honderdtallen, duizendtallen.

11= 10+1= dek unu; 12=dek du; 20= 2*10= dudek; 21= 20+1= dudek unu; 30=tridek; 101= 100+1= cent unu; 300=tricent; 320= tricent dudek; 345= 300+40+5= tricent kvardek kvin; 1001= 1000+1= mil unu; 1992= 1000+900+90+2= mil naŭcent naŭdek du; 100.000=cent mil; 999.999= naŭcent naŭdek naŭ MIL naŭcent naŭdek naŭ.

Rangtelwoorden

Rangtelwoorden worden gevormd door achter het hoofdtelwoord de bijvoeglijke uitgang ‘-a’ te plaatsen: unua=eerste; dua=tweede; tria=derde; dek-unua=elfde; tridek-kvara=vierendertigste.

CORRELATIEVEN

De zgn. ‘correlatieven’ zijn de sleutel voor Esperanto; ze staan in een bepaalde relatie tot elkaar. Alle correlatieven hebben een ‘i’ in zich. Aan de beginletter of aan het begin zie je, of het vragend, aanwijzend, verzamelend/allesomvattend, ontkennend of onbepaald is. De uitgang geeft aan, of het om een persoon gaat, een eigenschap, zelfstandig iets, een bezit, een plaats, een tijd, een manier, een reden of een hoeveelheid.

. u : persoon/zaak
. a : eigenschap
onbepaald: - . . . o : zelfst. iets
vragend/betrekkelijk: k . . . . . es : bezit
aanwijzend: t . . . i . . . . e : plaats
allesomvattend: ĉ . . . . . . am : tijd
ontkennend: nen . . . el : manier
. al : reden
. om : hoeveelheid

Voorbeelden:

nen/iu=n/iemand; kiu=wie;die,dat,welke; tiu=die,dat; ĉiu=ieder(een); ia=enigerlei; kia=hoedanige; tia=zo‘n; ĉia=allerlei; nenia=generlei; nen/io=n/iets; kio=wat; tio=dat; ĉio=alles; nen/ies=n/iemands; kies=wiens,wier; ties=diens,dier; ĉies=ieders; nen/ie=n/ergens; kie=waar; tie=daar; ĉie=overal; nen/iam=n/ooit; kiam=wanneer; tiam=toen; ĉiam=altijd; iel=op de een of andere wijze; kiel=hoe,zoals; tiel=zo; neniel=geenszins; ĉiel=op elke wijze; kial=waarom; tial=daarom; iom=wat,een beetje; kiom=hoeveel; tiom=zoveel; neniom=niemendal.

VOORZETSELS

Ieder Nederlands voorzetsel is wel te vertalen in het Esp-o. Wel hebben de Esperanto-voorzetsels meestal een veel beperktere (meer constante) betekenis. Bij twijfel kun je het onbepaalde voorzetsel je gebruiken:

Op uw gezondheid! = JE via sano!

Enkele voorzetsels:

AL = aan (om het meewerkend voorwerp te maken), naar;

DA = HOEVEELHEIDSMARKEERDER, gebruik je na hoeveelheid en vóór znw;

funto DA kafo = een pond koffie
glaso DA vino = een glas wijn (versus: vinglaso = een wijnglas)
iom DA akvo = wat water, een beetje water

DE=van (genitief), door (lijdende vorm); EL=uit; PRO=vanwege,door; PRI=aangaande,over; POR=tbv,voor; SEN=zonder; TRA=door...heen,via; KUN=met (samen met); PER=dmv,door,met.

De zin Ze zagen het meisje met de verrekijker is nogal ambigu: hij kan verschillende betekenissen hebben. In het Esperanto zou je bij de vertaling van die zin vier verschillende zinnen krijgen:

Ili vidIS la knabinon KUN la lorno. (Zij had een verrekijker)
Ili vidIS la knabinon PER la lorno. (D.m.v. een verrekijker)
Ili SEGAS la knabinon KUN la lorno. (Doorzagen)
Ili SEGAS la knabinon PER la lorno. (Doorzagen d.m.v. kijker)

Als we de zin horen Ze zagen het meisje met de verrekijker, dan zullen we niet (meteen) aan de laatste interpretatie denken waarbij de verrekijker gebruikt wordt om het meisje door te zagen. Als je dan toch aan het zagen bent, dan lijkt me het handiger om dit met een segilo (= ‘zaag’) te doen. Dit is wel erg luguber, hoor!

De gegeven voorzetsels regeren de nominatief: naamwoord erachter krijgt geen -n. Als er sprake is van richting [+dir], krijgt het naamwoord na een positie-voorzetsel, wél een -n.

Enkele positie-voorzetsels: EN (= ‘in’), SUR (= ‘op’), SUB (= ‘onder’), EKSTER (= ‘buiten’).

Vergelijk het met het Duits: in, auf, unter, etc. +3/+4:

[–dir] —> +3 / [+DAT];   [+dir] —> +4 / [+ACC].

Ook in het Latijn zie je dit: in:

[–dir] —> [+ABL];   [+dir] —> [+ACC].

Het Engels kent dit verschil in [–dir] en [+dir] op woordniveau:

[–dir]: in, on en [+dir]: into, onto.

In het Nederlands kun je dit verschil bereiken door middel van woordvolgorde.

[–dir]: Mi iras EN la ĝardeno = Ik loop in de tuin.
[+dir]: Mi iras EN la ĝardenon = Ik loop de tuin in.

De voorzetsels in het Esp-o die altijd een richting aangeven of die nooit een beweging kunnen aangeven, veroorzaken geen +n.

altijd [+dir]: Mi iras AL la ĝardeno = Ik loop NAAR de tuin.
nooit [+dir] : Mi parolas PRI la ĝardeno = Ik praat OVER de tuin.

VRAGENDE EN ONTKENNENDE ZINNEN

Vragende zinnen

Met een specifieke woordvolgorde kun je in het Esp-o geen vragende zin maken. Er geldt tenslotte vrije woordvolgorde. Een vragende zin maak je in deze taal door het woordje ‘ĉU’ vóór de bevestigende zin te zetten. Je krijgt dan een ‘ja/nee’-vraag.

li loĝas en Nimego. = hij woont in Nijmegen.
ĉu li loĝas en Nimego? (Jes/Ne) = woont hij in Nijmegen? (J/N)

Als een vraag al met een vragend woord (K-woord) begint, dan is het gebruik van ĉu overbodig en blijft het dus weg.

KIU estas Petro? = Wie is Piet?
KIE li loĝas? = Waar woont hij?
KIAM vi venos al ni? = Wanneer kom je naar ons? [=toek.]
KION tiu maldika knabo manĝas? = Wat eet die dunne jongen?
KIUJN hobiojn vi havas? = Welke hobby's heb je?
Al KIU vi donas tiun libron? = Aan wie geef jij dat boek?
KIOM da ĉambroj la domo havas? = Hoeveel kamers heeft het huis?
Kun KIU vi korespondas? = Met wie correspondeer je?
Per KIO vi skribas? = Waarmee schrijf je?

Ontkenning

Met ne (= ‘nee, niet, geen’) kun je ontkennende zinnen maken. Je zet het vóór het deel dat je wilt ontkennen.

Kial vi NE aĉetis la libron? = Waarom kocht u het boek NIET?
Li NE skribis leteron = Hij schreef GEEN brief.
NE mi parolas, sed li = NIET ik praat, maar hij.
NE povi satiĝi je io = Niet genoeg van iets kunnen krijgen!

TOT SLOT

Het mooie van Esperanto vind ik dat de taal zo regelmatig en eenvoudig is en tegelijk de essentie bevat die een taal moet bezitten om alles wat je wilt zeggen, uit te kunnen drukken. Doordat er geen onregelmatigheden of uitzonderingen zijn en alles vereenvoudigd is, krijg je een overzichtelijke en elegante taal.

Het bestuderen van Esperanto werkt bovendien verhelderend. Je ontdekt meer wat er achter taal zit. Door talen te vergelijken met elkaar, merk je dat er best veel overeenkomsten zijn tussen talen. Die overeenkomsten vind je vaak weer terug in de taal Esperanto.

Naast de eenvoud en de logische opbouw van de taal, hoort bij de taal Esperanto een idee. Het zou volkeren dichter bij elkaar moeten brengen. Maar dan zou wel iedereen Esperanto als tweede taal moeten leren. Mogelijk zou er dan ook meer begrip tussen mensen ontstaan. Maar voor meer begrip voor anderen, daar is – denk ik – meer voor nodig.

Tamen mi restas esperanta...
(= Toch blijf ik hopen...)

Simon van Dreumel

________
*) -ANT:
De uitgang om het tegenwoordig deelwoord te vormen zit ook in ‘EsperANTo’= lett. “de hopende” = degene die hoopt.


Esperanto-links    Mail

Deze webpagina is het laatst gewijzigd op 29 oktober 2002