Simon van Dreumel
Nun mi skribas en Esperanto, la sendependa logika lingvo por internacia amikeco kaj por internacia interŝanĝo je ĉia tereno. [= Nu schrijf ik in Esperanto, de onafhankelijke logische taal voor internationale vriendschap en voor internationale uitwisseling op elk gebied.]
Denk nu niet, dat ik een van de exotische talen ga behandelen. Dit keer heb ik het over een wereldhulptaal: Esperanto. Deze taal wordt in woordenboeken ook wel eens als KUNSTwereldtaal omschreven. Ook al is de taal eens door iemand bedacht en ontworpen, d.w.z. kunstmatig gecreëerd, dit wil zeker niet zeggen dat de taal niet leeft. Het is geen dode taal, zoals bijvoorbeeld het (klassieke) Latijn. Veel talen zijn eens "in elkaar gezet". Daarom zegt "kunstmatigheid" dus nog niets over het functioneren van een taal. Het gaat erom of de taal levend is, zich dus kan ontwikkelen en daarmee in staat is alles uit te drukken wat je denkt. Dat kan in Esperanto.
Eigenlijk zou je als wereldtaal een neutrale taal moeten kiezen, zonder nationale achtergrond. Een taal die iedereen erbij kan leren, zonder dat degene bevoordeeld/benadeeld wordt omdat de persoon die taal al/niet als moedertaal spreekt. Esperanto is zo'n internationale taal. Esperanto is gemakkelijk te leren vanwege de eenvoud en logische opbouw. De taal is gemaakt om het wederzijds begrip tussen volkeren te bevorderen.
Iedereen zou dan wel het Esperanto als tweede taal moeten beheersen. De verbreiding van het Esperanto berust tot dusverre vrijwel geheel op persoonlijk initiatief om de taal te leren. Wettelijke voorzieningen om algemene verbreiding voor internationaal gebruik mogelijk te maken, ontbreken in de meeste landen. Met Esperanto kun je echter overal in de wereld terecht; Esperantisten vind je overal.
Het leek me wel aardig om wat meer over Esperanto te vertellen. Ik zal hier vooral de opbouw van de taal globaal beschrijven.
Esperanto komt niet zomaar uit de lucht vallen. Deze taal kent ook een ontstaansgeschiedenis.
De opkomst van Esperanto is onverbrekelijk verbonden met de levensloop van de man, voor wie het een belangrijk levensdoel vormde, namelijk Lazaro Ludoviko Zamenhof, geboren op 15 december 1859 in de oude Poolse stad Bjalistok. Vooral zijn jeugdjaren in Bjalistok zijn van grote invloed geweest op de ontwikkeling van de doelstellingen, die Zamenhof later voor ogen stond. In Bjalistok bestond de bevolking uit vier verschillende groepen: Russen, Polen, Duitsers en Joden. Elk van deze groep sprak een eigen taal, wat een grote barrière vormde voor het goed begrijpen van elkaars standpunten en daardoor de ontwikkeling van een evenwichtige maatschappij in de weg stond. In het dagelijks leven was overal het wanbegrip en de geïsoleerde opstelling van elk van deze groepen merkbaar. Als kind merkte Zamenhof dit al scherp en ontstond bij hem de wens dit probleem op te lossen. Uiteraard kwam in die periode nog niet de vraag bij hem naar voren, hoe dit nu precies te verwezenlijken zou zijn. De aanzet daartoe kwam op het gymnasium bij het bestuderen van Grieks en Latijn. In eerste instantie was Zamenhof voor een opleving van een van beide talen, maar spoedig verwierp hij dit standpunt en begon hij voor het eerst aan een nieuwe, kunstmatige taal te denken. Vooral het gebruik van voor- en achtervoegsels in het Pools en de eenvoudige grammatica van de Engelse grammatica hebben hem daarbij geïnspireerd. Dat de als "Lingvo Internacia" in 1887 voor het eerst gepubliceerde taal al gauw Esperanto werd genoemd, is te begrijpen, als je weet dat Zamenhof het pseudoniem "Doktoro Esperanto" gebruikte. Esperanto betekent: degene die hoopt.
In elk van deze drie onderdelen laat het Esperanto een enorme simplificatie zien in vergelijking met nationale talen.
Het Esperanto kent 28 letters. De letters Q, W, X en Y komen niet voor. Daarentegen heeft het Esperanto enige "dakjesletters", letters met dakjes erboven, zoals: ĉ, ĝ, ĥ, ĵ en ŝ. Verder kan er op de letter u nog een boogje komen: ŭ.
Het is wel handig als ik de letters met de bijbehorende uitspraak opsom. Dan weet je tenminste hoe je woorden in het Esperanto moet uitspreken.
| LETTER | UITSPRAAK | als in: | BIJZONDERHEDEN |
| a | à/aa | mat/opa | resp. gesloten en open lettergreep |
| b | b | bar | altijd stemhebbend, ook op het eind v.e. woord |
| c | ts | muts | vgl. caesartsaar; gracia; It. z (stemloos) |
| ĉ | tsj | tsjilpen | Sp.ch; Eng.ch (Churchill); It.c voor e of i |
| d | d | dek | altijd stemhebbend, ook op het eind v.e. woord |
| e | è | met | altijd kort, ook in open lettergreep |
| f | f | film | |
| g | zachte k | goal | Dui./Eng. G; Fr./Sp./It. G niet voor e of i |
| ĝ | dzj | gentleman | Eng./It. g voor e of i |
| h | h | help | |
| ĥ | ch | lachen | vanwege de uitspraak: ĥ => k (spellingwijziging) |
| i | ie | liter | altijd lang, ook in gesloten lettergreep |
| j | j | jaar | |
| ĵ | zj | journaal | Fr. j |
| k | k | kaak | |
| l | l | lel | |
| m | m | mam | |
| n | n | non | |
| o | ò | pot | altijd kort, ook in open lettergreep (Esperanto) |
| p | p | pap | |
| r | r | raar | |
| s | s | suiker | altijd stemloos |
| ŝ | sj | sjaal | Eng.sh; Fr.ch; Dui.sch; It.sc voor e of i |
| t | t | taal | |
| u | oe | voet | Dui./Sp./It./Lat. u |
| ŭ | w | wat | "ronde" w; meestal in verbinding met a of e: |
| aŭ | au | auto | |
| eŭ | ew | ||
| v | 'w' | water | geen "ronde" w |
| z | z | zaag | altijd stemhebbend |
Er zijn dus slechts vijf klinkers: a, e, i, o, u.
Ze corresponderen met dezelfde symbolen in het
Internationaal Fonetisch Alfabet (IPA).
Laten we eens enkele woorden in het Esperanto bekijken:
| WOORD | UITSPRAAK | BETEKENIS |
| vorto | wòrtò | woord |
| cendo | tsen-dò | cent |
| scienco | s-tsi-èn-tsò | wetenschap |
| ĉio | tsji-ò | alles |
| ĝardeno | dzjà-dè-nò | tuin |
| programo | pròGramò | programma |
| intereso | ientèrèsò | interesse |
Je ziet aan de laatste twee woorden programo en intereso, dat medeklinkerverdubbeling als spellingregel niet voorkomt. Dit wil niet zeggen dat er in het Esperanto nooit twee dezelfde medeklinkers in een woord naast elkaar kunnen staan. Door bijvoorbeeld vóór een woord een voorvoegsel te plaatsen, waarbij de laatste letter van het voorvoegsel gelijk is aan de eerste letter van het erop volgende woorddeel, krijg je al dubbele medeklinkers in een woord: mallonga [mal is een voorvoegsel dat zorgt voor de tegenovergestelde betekenis van het grondwoord, long betekent lang; mallonga is dus kort].
| feliĉa = gelukkig | (bijvoeglijk naamwoord) |
| feliĉo = geluk | (zelfstandig naamwoord) |
| feliĉe = gelukkig | (bijwoord) |
Samengestelde woorden worden gevormd door samenvoeging van twee aparte woorden, waarbij het belangrijkste woord achteraan staat.
Met voor- en achtervoegsels kunnen uitgaande van één stam vele nieuwe woorden worden gemaakt.
| amik- | is de stam. |
| amiko: | vriend |
| amikINo: | vriendin |
| Het achtervoegsel in duidt op het vrouwelijk geslacht. | |
| Dit wordt in het Esperanto consequent doorgevoerd: | |
| patro=vader; patrINo=moeder; knabo=jongen; knabINo=meisje. | |
| amikECo: | vriendschap. |
| Het achtervoegsel ec duidt op een eigenschap. | |
| bela=mooi; belECo=schoonheid; bona=goed; bonECo=goedheid. | |
| MALamiko: | vijand. |
| Zoals we al zagen bij MALlonga(= kort) duidt het voorvoegsel | |
| mal het tegenoverstelde aan. | |
| granda=groot; MALgranda=klein; MALbona=slecht; MALbela=lelijk. | |
| varma=warm; MALvarma=koud. | |
| MALamikECo: | vijandschap. |
Het achtervoegsel il duidt op een middel, instrument. tranĉi= snijden; tranĉILo= mes.
Het achtervoegsel ar duidt op verzameling als eenheid. arbo=boom; arbARo=bos; homo=mens; homARo=mensheid.
Het achtervoegsel et duidt op verkleining. varmETa=lauw; arbETo=boompje; dormi=slapen; dormETi=sluimeren; vento=wind; ventETo=briesje. ŝtupo=trede; ŝtup-ET-AR-o=ladder.
Het achtervoegsel eg duidt op vergroting. ventEGo=storm; varmEGa=heet; tre=erg/zeer; treEGe=heel erg, enorm.
Het voorvoegsel ge neemt beide geslachten samen. GEpatroJ= ouders.
Het achtervoegsel ej duidt op een plaats. lerni=leren; lernEJo=school.
En zo kan ik nog wel even doorgaan. Er zijn zo'n 40 affixen, dus je kunt wel nagaan hoeveel dat oplevert.
In het Esperanto kunnen voor- en achtervoegsels ook zelfstandig gebruikt worden: EJo=plaats; ARo=groep; MALo=tegengestelde; MALe=integendeel; INo=vrouw; ILo=werktuig; IL-AR-o=gereedschap.
Lexicale ambiguïteit wordt zo veel mogelijk vermeden. Homoniemen zijn om die reden schaars. Terwijl in het Nederlands bijvoorbeeld bank dubbelzinnig is, nl. een zitbank of een geldbank (bank is dus in het Nederlands een homoniem), heeft het Esperanto twee in klank (en dus in schrift) verschillende woorden, nl. benko (= zitbank) en banko (= geldbank).
We hebben gezien dat Esperanto fonetisch is: de letters van het alfabet worden steeds maar op één manier uitgesproken. Dat Esperanto fonetisch is, betekent niet dat er zich in de uitspraak van de klinkers (a, e, i, o, u) geen variaties zouden voordoen. De uitspraak van een klinker in een woord hangt ook af van de omringende klanken. Daarnaast treden er fonologische verschijnselen op. Tussen de /i/ en /a/, zoals in ia, wordt bijvoorbeeld een /j/ als verbindingsklank ingevoegd. Je moet hier geen i-a-gebalk ten gehore brengen. Er komt een /w/ in de uitspraak tussen de /u/ en /o/ zoals in ŝuo (=schoen). Vooral als je vlot praat of snel spreekt, zal er assimilatie en/of coarticulatie optreden in spraak. Maar ik begin weer uit te weiden (... hij kan het niet laten). Spelling en uitspraak is de vorige keer voldoende aan bod gekomen. Over Woordvorming valt ook wel meer te vertellen. Ik hoef alleen maar te denken aan de resterende voor- en achtervoegsels (tezamen: affixen). Maar we weten nu dat we van één stam allerlei nieuwe woorden kunnen maken door gebruik te maken van affixen. En Esperanto-(stam)woorden kun je vinden in een vortaro (=woordenboek). Dus ik beschouw Woordenschat als behandeld.
Ik ben nu weer waar ik wilde zijn, namelijk bij de grammatica van Esperanto. Hopelijk is aan de hand van de voorbeelden te ontdekken hoe wonderlijk eenvoudig en logisch Esperanto in elkaar steekt.
| La vino estas ruĝa = De wijn is rood. |
| La ĉarma avino bonE loĝas = De charmante oma woont goed. |
| la viroj = de mannen (viro =man) |
| la maljunaj viroj = de oude mannen |
| la pomoj estas ruĝaj = de appels zijn rood. |
| bela = mooi | bona = goed |
| PLI bela = mooier | PLI bona = beter |
| PLEJ bela = mooist | PLEJ bona = best |
Voorbeelden:
| ili estas PLI fortaj (ol ni) | = zij zijn sterker (dan wij) |
| ili estas MALPLI fortaj (ol ni) | = zij zijn minder sterk (dan wij) |
| li estas la PLEJ forta (el ...) | = hij is het sterkst (van ...) |
| li estas la MALPLEJ forta (el ...) | = hij is het minst sterk (van ...) |
| ŝi kantas PLEJ bele | = zij zingt het mooist |
| TIJD | UITGANG | VOORBEELD | EZELSBRUGGETJE |
| tegenwoordige tijd | -as | mi venas = ik kom | a in vandaag |
| verleden tijd | -is | mi venis = ik kwam | i in gisteren |
| toekomende tijd | -os | mi venos = ik zal komen | o in morgen |
De persoonsvormen hebben in alle personen dezelfde uitgang.
| mi, vi, li, ŝi, ĝi, ni, ili, oni estas = ... ben/bent/is/zijn |
Onregelmatige werkwoorden zul je in het Esp-o niet tegenkomen. Alle werkwoorden hebben immers een stam met daarachter een uitgang. Het werkwoord bevat geen informatie over persoon en getal; deze informatie is al te halen uit het onderwerp van de zin. Nu resten nog drie wijzen (= modoj)...
| WIJS | UITGANG | VOORBEELD |
| voorwaardelijke wijs | -us | mi venus = ik zou komen [CONDITIONEEL] |
| gebiedende wijs | -u | venu = kom! [IMPERATIEF] |
| onbepaalde wijs | -i | veni = komen [INFINITIEF] |
| DEELWOORD | ACTIEF | PASSIEF | Vergelijk |
| tegenwoordig | -ant | -at | -a-: tegenwoordig |
| voltooid | -int | -it | -i-: verleden |
| toekomend | -ont | -ot | -o-: toekomend |
Voorbeelden:
| mi estAS vokANTa = ik ben aan het roepen |
| mi estAS vokINTa = ik heb geroepen |
| mi estAS vokONTa = ik moet nog roepen |
| mi estIS vokANTa = ik was aan het roepen |
| mi estIS vokINTa = ik had geroepen |
| mi estIS vokONTa = ik moest nog roepen |
| mi estOs vokANTa = ik zal aan het roepen zijn |
| mi estOS vokINTa = ik zal geroepen hebben |
| mi estOS vokONTa = ik zal nog moeten roepen |
| mi estAS vokATa = ik word geroepen |
| mi estAS vokITa = ik ben geroepen |
| mi estAS vokOTa = ik moet nog geroepen worden |
| mi estIS vokATa = ik werd geroepen |
| mi estIS vokITa = ik was geroepen |
| mi estIS vokOTa = ik moest nog geroepen worden |
| mi estOS vokATa = ik zal geroepen worden |
| mi estOS vokITa = ik zal geroepen zijn |
| mi estOS vokOTa = ik zal nog geroepen moeten worden |
| La vino estas ruĝa = Ruĝa estas la vino = Estas ruĝa la vino |
(Meestal wordt echter de volgorde OnderwerpGezegdeBepalingen gebruikt. En wat vooropgeplaatst is, krijgt meer de nadruk.)
| Opa leest een boek = |
| la avo legas libron = libron la avo legas = legas libron la avo. |
Ook de bijbehorende bijvoeglijke naamwoorden krijgen een -n.
| li vendis sian belan domon = hij verkocht zijn (eigen) mooie huis. |
| mia frato vidis lian novan domon = mijn broer zag zijn nieuwe huis. |
| mia fratino vendis pomojn ruĝajn = mijn zus verkocht rode appels. |
N.B. lian verwijst niet naar mia frato, dan zou er sian moeten staan.
Het bijvoeglijk naamwoord kan ook achter het zelfstandig naamwoord komen: er geldt een vrije volgorde!
Ook persoonlijke voornaamwoorden krijgen een -n als ze lijdend voorwerp zijn in een zin.
| li vidas ŝin; ŝin vidas li | = hij ziet haar. |
| ŝi vidas lin; lin vidas ŝi | = zij ziet hem. |
| nia onklino rapide lavas sin | = onze tante wast zich snel. |
| nia onklino rapide lavas ŝin | = onze tante wast haar snel. |
De andere getallen tot miljoen kun je maken door de termen achter elkaar te schrijven. Je splitst een getal in eenheden, tientallen, honderdtallen, duizendtallen.
11= 10+1= dek unu; 12=dek du; 20= 2*10= dudek; 21= 20+1= dudek unu; 30=tridek; 101= 100+1= cent unu; 300=tricent; 320= tricent dudek; 345= 300+40+5= tricent kvardek kvin; 1001= 1000+1= mil unu; 1992= 1000+900+90+2= mil naŭcent naŭdek du; 100.000=cent mil; 999.999= naŭcent naŭdek naŭ MIL naŭcent naŭdek naŭ.
| . | u | : persoon/zaak | |||||||||
| . | a | : eigenschap | |||||||||
| onbepaald: | - | . | . | . | o | : zelfst. iets | |||||
| vragend/betrekkelijk: | k | . | . | . | . | . | es | : bezit | |||
| aanwijzend: | t | . | . | . | i | . | . | . | . | e | : plaats |
| allesomvattend: | ĉ | . | . | . | . | . | . | am | : tijd | ||
| ontkennend: | nen | . | . | . | el | : manier | |||||
| . | al | : reden | |||||||||
| . | om | : hoeveelheid |
Voorbeelden:
nen/iu=n/iemand; kiu=wie;die,dat,welke; tiu=die,dat; ĉiu=ieder(een); ia=enigerlei; kia=hoedanige; tia=zon; ĉia=allerlei; nenia=generlei; nen/io=n/iets; kio=wat; tio=dat; ĉio=alles; nen/ies=n/iemands; kies=wiens,wier; ties=diens,dier; ĉies=ieders; nen/ie=n/ergens; kie=waar; tie=daar; ĉie=overal; nen/iam=n/ooit; kiam=wanneer; tiam=toen; ĉiam=altijd; iel=op de een of andere wijze; kiel=hoe,zoals; tiel=zo; neniel=geenszins; ĉiel=op elke wijze; kial=waarom; tial=daarom; iom=wat,een beetje; kiom=hoeveel; tiom=zoveel; neniom=niemendal.
Op uw gezondheid! = JE via sano!
Enkele voorzetsels:
AL = aan (om het meewerkend voorwerp te maken), naar;
DA = HOEVEELHEIDSMARKEERDER, gebruik je na hoeveelheid en vóór znw;
| funto DA kafo | = een pond koffie |
| glaso DA vino | = een glas wijn (versus: vinglaso = een wijnglas) |
| iom DA akvo | = wat water, een beetje water |
DE=van (genitief), door (lijdende vorm); EL=uit; PRO=vanwege,door; PRI=aangaande,over; POR=tbv,voor; SEN=zonder; TRA=door...heen,via; KUN=met (samen met); PER=dmv,door,met.
De zin Ze zagen het meisje met de verrekijker is nogal ambigu: hij kan verschillende betekenissen hebben. In het Esperanto zou je bij de vertaling van die zin vier verschillende zinnen krijgen:
| Ili vidIS la knabinon KUN la lorno. | (Zij had een verrekijker) |
| Ili vidIS la knabinon PER la lorno. | (D.m.v. een verrekijker) |
| Ili SEGAS la knabinon KUN la lorno. | (Doorzagen) |
| Ili SEGAS la knabinon PER la lorno. | (Doorzagen d.m.v. kijker) |
Als we de zin horen Ze zagen het meisje met de verrekijker, dan zullen we niet (meteen) aan de laatste interpretatie denken waarbij de verrekijker gebruikt wordt om het meisje door te zagen. Als je dan toch aan het zagen bent, dan lijkt me het handiger om dit met een segilo (= zaag) te doen. Dit is wel erg luguber, hoor!
De gegeven voorzetsels regeren de nominatief: naamwoord erachter krijgt geen -n. Als er sprake is van richting [+dir], krijgt het naamwoord na een positie-voorzetsel, wél een -n.
Enkele positie-voorzetsels: EN (= in), SUR (= op), SUB (= onder), EKSTER (= buiten).
Vergelijk het met het Duits: in, auf, unter, etc. +3/+4:
| [dir] > +3 / [+DAT]; [+dir] > +4 / [+ACC]. |
Ook in het Latijn zie je dit: in:
| [dir] > [+ABL]; [+dir] > [+ACC]. |
Het Engels kent dit verschil in [dir] en [+dir] op woordniveau:
| [dir]: in, on en [+dir]: into, onto. |
In het Nederlands kun je dit verschil bereiken door middel van woordvolgorde.
| [dir]: | Mi iras EN la ĝardeno | = Ik loop in de tuin. |
| [+dir]: | Mi iras EN la ĝardenon | = Ik loop de tuin in. |
De voorzetsels in het Esp-o die altijd een richting aangeven of die nooit een beweging kunnen aangeven, veroorzaken geen +n.
| altijd [+dir]: | Mi iras AL la ĝardeno | = Ik loop NAAR de tuin. |
| nooit [+dir] : | Mi parolas PRI la ĝardeno | = Ik praat OVER de tuin. |
| li loĝas en Nimego. | = hij woont in Nijmegen. |
| ĉu li loĝas en Nimego? (Jes/Ne) | = woont hij in Nijmegen? (J/N) |
Als een vraag al met een vragend woord (K-woord) begint, dan is het gebruik van ĉu overbodig en blijft het dus weg.
| KIU estas Petro? = Wie is Piet? |
| KIE li loĝas? = Waar woont hij? |
| KIAM vi venos al ni? = Wanneer kom je naar ons? [=toek.] |
| KION tiu maldika knabo manĝas? = Wat eet die dunne jongen? |
| KIUJN hobiojn vi havas? = Welke hobby's heb je? |
| Al KIU vi donas tiun libron? = Aan wie geef jij dat boek? |
| KIOM da ĉambroj la domo havas? = Hoeveel kamers heeft het huis? |
| Kun KIU vi korespondas? = Met wie correspondeer je? |
| Per KIO vi skribas? = Waarmee schrijf je? |
| Kial vi NE aĉetis la libron? = Waarom kocht u het boek NIET? |
| Li NE skribis leteron = Hij schreef GEEN brief. |
| NE mi parolas, sed li = NIET ik praat, maar hij. |
| NE povi satiĝi je io = Niet genoeg van iets kunnen krijgen! |
Het bestuderen van Esperanto werkt bovendien verhelderend. Je ontdekt meer wat er achter taal zit. Door talen te vergelijken met elkaar, merk je dat er best veel overeenkomsten zijn tussen talen. Die overeenkomsten vind je vaak weer terug in de taal Esperanto.
Naast de eenvoud en de logische opbouw van de taal, hoort bij de taal Esperanto een idee. Het zou volkeren dichter bij elkaar moeten brengen. Maar dan zou wel iedereen Esperanto als tweede taal moeten leren. Mogelijk zou er dan ook meer begrip tussen mensen ontstaan. Maar voor meer begrip voor anderen, daar is denk ik meer voor nodig.
Tamen mi restas esperanta...
(= Toch blijf ik hopen...)
| Esperanto-links | ![]() |